UitBuro UitBuro UitBuro UitBuro
#
Toekomst in de maak

Terugblik op de publieke gesprekken tijdens de manifestatie Rotterdam viert de stad!

Rotterdammers zijn toekomstgericht. Dat is ons ethos: vooruit, niet achteruit; door, door, dóór. Maar elke tijd kijkt op zijn eigen manier naar de toekomst. In de wederopbouwperiode na de oorlog was dat vanuit een gebrek, vanuit iets dat ons ontnomen was. Met Rotterdam viert de stad! zijn we nieuwe traditie begonnen en treden we de toekomst hoopvol tegemoet. 

We vierden de stad dit jaar, na vijfenzeventig jaar wederopbouw. Met een reuzenrad, met reuzendominostenen, een reuzenbaby, een met reuzeveel vlaggen versierde Erasmusbrug en met een reuzentrap waarop we naar boven klommen en vanaf het Groot Handelsgebouw keken naar onze stad die bijna af was. En dat allemaal in ons kleine metropooltje. “We moeten het een beetje overdrijven in Rotterdam, want anders kakt het in”, aldus Winy Maas, de bedenker van De Trap.

Toch werd de menselijke maat niet uit het oog verloren. De persoonlijke verhalen van Rotterdammers over hun stad vormden een rode draad door de grootschalige feestelijkheden ende veelzijdige culturele programmering van de manifestatie Rotterdam viert de stad! In het verhalenboek houden al die verschillende Rotterdammers allemaal op hun eigen manier van de stad. Het levert een rijkgeschakeerd beeld op.

De toekomst als traditie
Rotterdam heeft sinds de wederopbouw een ‘traditie in de toekomst’. Al voor de oorlog was er het urgente gevoel om te vernieuwen, om niet stil te staan als transitostad waar steeds weer mensen vertrokken en aankwamen. Het bombardement zorgde voor ruimte én noodzaak, er moest immers gebouwd worden. Je zou kunnen stellen dat het toekomstdenken in de wederopbouwtijd daarom vertrok vanuit een zeker gebrek. Er moest iets geheeld worden, de stad moest een fysiek trauma overwinnen. Dit ging gepaard met een uiterst optimistische maar ook dominante en soms dwingende 'wederopbouwideologie', zoals historici Patricia Van Ulzen en Suzanne Hoogervorst in hun boek Rotterdam en het bombardement beschrijven. Daarin was weinig ruimte voor verleden of herdenken. Menselijke emoties als nostalgie en heimwee naar de vooroorlogse stad hadden geen plek in het naoorlogse Rotterdam. De toekomst werd zijn karakter, zoals de programmeurs van Kunstblock het treffend hebben verwoord in hun programma Futurosity.

Deze vorm van toekomstgerichtheid zien we ook terug in de culturele programma’s van de manifestatie. Maar we menen dat zich ook iets nieuws aan het aftekenen is: een ander soort toekomstgerichtheid. Hoe verandert het denken over de toekomst als het niet meer enkel vertrekt vanuit een gebrek, een fysieke noodzaak? Kunnen we nu met meer rust naar de toekomst kijken? Betekent dit dat we nu ‘vrijer’ kunnen nadenken over de toekomst van de stad? En wat levert dat op? Waar moeten we nu aan werken? Deze vragen hebben we verkend in de programmalijn Rotterdam, The Neverending Story van de manifestatie.

Waar ontmoeten we elkaar?
In 1969 interviewde professor Wentholt honderd zeer verschillende Rotterdammers over de binnenstad van dat moment. Het beeld dat uit dit spraakmakende onderzoek naar stadsbeleving naar voren kwam, schudde de politiek en andere beslissers in de stad wakker: Rotterdammers beleefden de stad als onherbergzaam en kil. De Rotterdamse bestuurders zagen de wederopbouw als een succes, maar het onderzoek liet zien dat er nog heel wat werk te doen stond.

Nu weer vijfenveertig jaar later is het onderzoek herhaald door Rotterdam viert de stad!, Museum Rotterdam en de Willem de Kooning Academie. Wederom zijn er honderd Rotterdammers geïnterviewd. We zijn gelukkig wat opgeschoten, het beeld van de stad is positiever. De grote onvrede die Wentholt eind jaren zestig signaleerde is verdwenen. Rotterdammers zijn trots op de stad die eindelijk bruist en is volgebouwd. Er is veel te doen op cultureel gebied, en de stad is door de nieuwe architectuur visueel aantrekkelijker geworden.

Maar het kan altijd beter. Er komen twee duidelijke zorgen naar voren. Niet iedereen voelt zich even goed thuis in de gelikte, aangeharkte binnenstad. Mensen hebben het idee dat de binnenstad vooral wordt ingericht om toeristen en een nieuwe welvarende middenklasse aan te trekken. Ouderen en wijkbewoners voelden zich er minder thuis. Wordt de binnenstad straks een belevenisstad voor de globetrottende internationale toerist en de happy few? Wat heeft de huidige bevolking aan weer een notering op een hippe internationale lijst of aan nog meer iconische architectuur? Rotterdam moet wel zichzelf blijven, was de teneur.

In het verlengde hiervan maken mensen zich zorgen over toenemende segregatie. Er leeft het gevoel dat verschillende groepen in de samenleving elkaar niet meer ontmoeten, langs elkaar heen leven, elke groep op zijn eigen eilandje. Rotterdammers stellen hoge eisen aan wat samenleven is. De stad zou moeten uitnodigen tot ontmoeten en samenleven. Die ontmoeting, die confrontatie, het gesprek met elkaar, dat was nu juist typisch Rotterdams volgens de deelnemers van het onderzoek, en dat mogen we niet verliezen.

Als we elkaar niet ontmoeten, hoe kunnen we dan samen aan een toekomstige stad werken? Waar ontmoeten we elkaar vandaag in het gezamenlijk nadenken over en maken van de toekomst? Om deze vraag te beantwoorden kijken we naar de manier waarop er tijdens de manifestatie is nagedacht over de staat van de stad en de richting die we op moeten.

Het verhaal van de stad, stad van verhalen
De manifestatie kenmerkte zich op de eerste plaats door het vertellen en delen van persoonlijke verhalen over de stad.

In de documentairereeks Roets in Rotterdam vindt een mooie analyse plaats van wat Rotterdam kenmerkt op verschillende gebieden zoals dans, architectuur, schrijven, hiphop, skaten en verder. Je ziet verschillende spraakmakende stedelingen, succesvol in kunst, cultuur en sport, hele goede analyses maken van wat Rotterdam zo specifiek maakt, wat de stadscultuur nu kenmerkt. En natuurlijk komen dan kwaliteiten als ruimte, eerlijkheid en humor ter sprake. Een interessante observatie is dat we zo goed in staat zijn om de stad onderdeel te laten zijn van onze persoonlijke identiteit. En dat werken en leven in Rotterdam invloed heeft op wat we maken. De bewoners van Rotterdam zien de stad bijna als een personage in hun leven.

Het vertellen van verhalen is de core-business van Verhalenhuis Belvédère. Voor Rotterdam viert de stad! verzamelde het verhalenhuis verhalen over de wederopbouw. Een ander verhalenproject is Grenzeloze Rotterdammers, een documentairereeks over de diverse oorsprong van de Rotterdamse bevolking. De makers zien de naoorlogse migratiegeschiedenis naar de stad als een wederopbouwicoon dat onwisbare sporen in de stad heeft nagelaten. De tentoonstelling De wederopbouw van mijn leven spiegelt de verhalen van Rotterdammers die als vluchteling in de stad zijn terecht gekomen aan de wederopbouw van de stad zelf.

Wat schuilt er achter het verzamelen en delen van verhalen? Waar komt de behoefte vandaan? Het heeft twee functies. Het narratief van de wederopbouwstad wordt gebruikt als ingang, om een verbinding met de stad en bewoners te maken, om een wij-gevoel te creëren. De herkenning staat centraal: jouw wederopbouw lijkt op mijn wederopbouw. Verhalen zijn een manier om contact te maken, om medebewoners te ontmoeten.

Tegelijk wordt het grote verhaal van de stad ook uitgebreid en aangevuld met nieuwe verhalen. De boodschap is dan: ook dít is Rotterdam. Ik en mijn levensverhaal, al is dat misschien anders dan het jouwe, horen er ook bij. Door een deel te claimen van het verhaal en de geschiedenis van de stad, wordt er ruimte gecreëerd voor nieuwe generaties met andere levensverhalen. Het bekende narratief van de stad wordt verhaal per verhaal opgerekt, uit zijn cliché gedwongen.

Het definiëren én herdefiniëren van de stad en haar mentaliteit kan een basis zijn om vooruit te kijken. Als we elkaar en zo de stad beter leren kennen, kunnen we samen een toekomst schetsen en een nieuwe realiteit creëren.

De gepolijste stad
Als stadscultuur en identiteit zo belangrijk zijn voor mensen om zich lokaal te wortelen of zich een weg te vinden, is het wellicht niet verwonderlijk dat er ook debat plaatsvindt als typische karaktertrekken van de stad veranderen. Zowel het stadsbelevingsonderzoek als het debat Rauw Rotterdam gingen over de angst dat Rotterdam té gelikt zou worden, over het verlies van wat Rotterdam Rotterdám maakt. Rotterdam lijkt met de nieuwe strakgetrokken binnenstad, de nieuwe blinkende architectonische iconen, steeds meer een globale wereldstad te worden. Waar is de rauwe kant van de stad, gevormd door wederopbouwbrutalisme en open vlaktes, gebleven?

Wethouder Adriaan Visser mist het rauwe Rotterdam totaal niet, vertelde hij in het openingsdebat. Hij is juist trots op de toeristische top tien lijstjes waar Rotterdam momenteel in voorkomt en denkt dat dit positieve imago van de stad ook zorgt voor meer banen en een welvarender Rotterdam. Ook Annemieke Fontein, stedenbouwkundige bij Stadsontwikkeling, is niet bang voor een te weinig rauwe stad. We moeten het vooral niet romantiseren, zei ze in het debat in Tent. Voor mensen die hun wijk niet uitkomen mag het allemaal echt nog wel veel mooier worden in de stad.

Wellicht komt dit onderwerp op het eerste gezicht over als een esthetische discussie gevoerd door hipsters die graag rauwe romantische foto's vastleggen op hun Instagram-account. Maar het debat gaat uiteindelijk óók over armoede en sociale ongelijkheid. De angst dat armoede in de stad wordt 'weggepoetst', dat de gelikte binnenstad niet meer dan windowdressing is voor de bezoekers en niet meer representatief is voor de rest van de stad. Columnist Ferrie Weeda verwoorde dat in het debat Rauw Rotterdam met de stelling dat “met het dichtsmeren, gladstrijken en oppoetsen van de stad de problemen aan het zicht worden onttrokken, maar niet worden opgelost. Tegelijk met het oppervlakkig polijsten van de stad worden die problemen veronachtzaamd of zelfs ontkend.”

Wat valt er te vieren?
Natuurlijk wekte de titel van de manifestatie Rotterdam viert de stad! bij sommige Rotterdammers irritatie op omdat het te vrolijk zou zijn, te zeer gericht op het ‘Oh wat gaat het goed met ons’ sentiment. In het openingsdebat van Rotterdam, the Neverending Story stelde historicus Zihni Özdil dan ook vragen bij de feestelijke inzet van de manifestatie. Want wie viert er feest als er nog steeds kinderen opgroeien in armoede? Ook architectuurhistoricus Wouter Vanstiphout was kritisch over de manier waarop we in Rotterdam inzetten op stadsbeleving. In beleving kun je niet wonen of werken. Het vormgeven van de stad zou veel meer moeten uitgaan van de dynamische demografie van de stad.

Goede architectuur is een advertentie voor de stad, stelde architect Winy Maas in een wervelende lezing over de ‘Tweederopbouw’ in Kriterion. Uit het publiek kwam de kritische vraag of architectuur niet veel meer aan de behoefte van de bevolking moet beantwoorden, zoals het Groot Handelsgebouw destijds deed. Maas antwoordde kort: het moet allebei gebeuren, het moet naast elkaar bestaan.

Snelwegen hebben altijd gefunctioneerd als breuklijnen die de stad sociaal verdelen in goede wijken en slechte wijken, binnen de ring en buiten de ring. Maar als er in 2025 alleen nog maar elektrische auto’s rijden, zou er vanwege de verbeterde luchtkwaliteit driehonderd meter beschermde zone naast de snelwegen vrijkomen om te bebouwen, aldus Wouter Vanstiphout tijdens het debat van Space Invaders op het Kleinpolderplein. Een uitgelezen kans voor steden om met snelwegen de stad weer aan elkaar lijmen. Hiermee stelt Vanstiphout in feite voor om de grondtoon van onze stad te veranderen.

Vertrouwen
In de serie College Tour van Arminius maakte advocaat Carrie Jansen zich zorgen over de sociale staat van de stad. Zij vindt dat mensen die sociaal maatschappelijk niet sterk staan veel wantrouwen tegenkomen en weinig support krijgen van de stad. Ze vindt dat de politiek onvoldoende oog heeft voor wat er echt speelt in de samenleving. Haar droom voor een toekomstige stad is een stad waar de politiek en de bureaucratie weer vertrouwen hebben in burgers, en waar we weer vertrouwen hebben in elkaar.

Dat vertrouwen kan misschien pas ontstaan op het moment dat we beseffen dat we niet zoveel van elkaar verschillen. Overmatige aandacht voor culturele diversiteit heeft het gevaar dat juist de verschillen tussen ons benadrukt en gevierd worden, verschillen die ons van elkaar weghouden. Het kan er ook voor zorgen dat anderen anders lijken of blijven. Aldus kunstenaar Charlie Koolhaas in haar lezing over de toekomst van de multiculturele samenleving tijdens de Futurosity Summit. Vervolgens worden diezelfde verschillen door anderen geproblematiseerd, terwijl we zeker hier in de stad, gezien op wereldschaal, veel meer met elkaar delen dan van elkaar verschillen. Koolhaas geeft aan dat een zekere mate van desinteresse in elkaar er juist voor kan zorgen dat we beter samenleven. In haar beeldend werk laat ze zien hoe over die verschillen heen eigenlijk allang allerlei vormen van hybride culturele identiteiten ontstaan.

Ook verschillen tussen rijk en arm worden voortdurend cultureel gemaakt, vindt Koolhaas. Door sociaaleconomische problemen zoals achterstanden cultureel te maken leg je de verantwoordelijkheid bij mensen zelf. Als je de problemen als sociaal-maatschappelijk ziet, is de politiek veel meer verantwoordelijk.

De stad als bevrijdingsmachine 
Vijf filmmakers lieten zich inspireren door het begrip ‘wederopbouw’ in het IFFR filmprogramma This is Where Reconstruction Starts. Ze maakten vijf verschillende films waarin telkens het hoofdpersonage een nieuw leven opnieuw opbouwt op een nieuwe plek.

Maarten Hajer, dit jaar hoofdcurator van de Internationale Architectuur Biënnale IABR, geeft aan dat de stad wat hem betreft een bevrijdingsmachine zou moeten zijn die je helpt je dromen te ontdekken en na te jagen. De stad moet bijdragen aan de ontwikkeling van mensen. Het zou andersom ook mooi zijn als al deze mensen bijdragen aan de ontwikkeling van die stad en dat de stad hiertoe uitnodigt.

Die bevrijdingsmachine stokt wel eens, bleek uit enkele getuigenissen die zijn gedaan in de debatten en bijeenkomsten. Zowel Jandino Asporaat als Aziz Yagoub ervaarden discriminatie toen ze opgroeiden in de stad. Dat discriminatie een enorme impact kan hebben op je leven bewees het verhaal van Nelli Cooman die tijdens College Tour vertelde dat het onderhuidse racisme dat zij in haar werkveld tegenkwam haar bijna de das om deed.

Vanuit de gedachte dat wij allen verantwoordelijk zijn voor de toekomst en iedereen hierover kan en mag nadenken, schreven zo’n driehonderd jongeren op mbo’s en voortgezet onderwijs hun droom op voor de stad in Rotterdam Droom ’t van LOKAAL. Ook hier kwamen thema’s als armoede, discriminatie en (on)gezondheid aan bod. Maar de hoop die uit de columns spreekt valt het meest op. Alle jongeren hadden er het volste vertrouwen in dat we in Rotterdam met elkaar elk probleem kunnen tackelen. De diversiteit van Rotterdammers beschrijven ze als een aantrekkelijke en krachtige eigenschap van de stad, iets waar ze trots op zijn.

Hoop
Hoop is een begrip dat niet alleen in de toekomstdromen van de Rotterdamse jongeren terugkwam, maar we zagen het ook bij Douglas Coupland die de middenweg tussen utopie en dystopie kiest als het gaat om toekomst en technologie en bij Winy Maas die ons in Kriterion in een razend tempo beelden voor de stad voorlegde. Op zulke moment is niet optimisme of pessimisme, maar hoop de drijvende kracht van het gesprek.

Optimisten gaan ervan uit dat het allemaal goed komt; pessimisten dat het allemaal wel weer zal mislukken. In de basis verschillen deze houdingen niet veel van elkaar: ze bieden de persoon slechts een manier om zich losjes tot de wereld te verhouden. Het richt onze energie echter niet, verplicht tot niets, sluit niets uit en roept niet op tot handelen. Erger nog, het maakt geen keuze. Hoop is niet vrijblijvend, het geeft richting.

Als we dan toch geacht worden om zelf vorm te geven aan de toekomst, laten we dat dan niet gedachteloos doen. Het is dus tijd voor een nieuwe Rotterdamse mentaliteit. Niet langer die van de kankerende pessimist, noch die van de ‘niet lullen, maar poetsen’ optimist; het is tijd voor ‘Rotterdamse hoop’. Rotterdam viert de stad! heeft laten zien dat die hoop veelvormig en veelstemmig is. Dat we er zelf bij zijn om hem te bedenken en uit te voeren. En wat ons bindt is de grote betrokkenheid van al die verschillende Rotterdammers bij de stad.

Toekomst in de maak
En hoe we ons tot de toekomst verhouden doet ertoe. Bezien we haar met angst en beven of worden we door haar verleid? Is de toekomst een vast gegeven, een lotsbestemming, of is ze open en leeg. Natuurlijk ligt de waarheid daar tussenin. Dat is niet spannend, maar het is niet anders. De toekomst is open, maar niet leeg. De toekomst is niet onbezet, maar ze heeft ons ook niet volledig in haar bezit. De toekomst is niet maakbaar, maar ze is wel in de maak.

Om betekenisvol na te denken over de toekomst, moeten we niet alleen op zoek gaan naar de meest waarschijnlijke en optimale versie van het heden. Volgens Schinkel (tijdens de Futurosity Summit) wordt in het populaire smart city-model de toekomst enkel gestuurd op basis van het heden, los van het verleden. De smart city berekent de toekomst enkel op basis van de data die het heden aanlevert, en is daarmee slechts een extrapolatie van de bestaande status quo, in plaats van die uit te dagen.

Dit is gevaarlijk omdat op deze manier de vraag of we een bepaalde toekomst wel of niet willen buiten beeld raakt. In de smart city laat de toekomst geen ruimte voor interventies en radicaal andere keuzes. Het sluit reflectie, handelen en politiek uit. En daarin schuilt nu juist de charme, de lol en het belang van het nadenken over de toekomst. Er is ruimte nodig voor een speculatief nadenken over welke richting we op willen, waarom we dit willen en wat we moeten doen om die gewenste toekomst dichterbij te brengen.

Oefenen en repeteren
Rotterdam viert de stad! is een grote openbare repetitie in collectief nadenken over de stad en haar toekomst. Repetitie begrepen in de betekenis die de socioloog Richard Sennett eraan geeft. Hij maakt een onderscheid tussen oefenen en repeteren. Oefenen is nodig om de techniek en je instrument te beheersen. In repetities moeten de leden van het orkest samen uitmaken wat het goede is. Ze moeten hun spel op elkaar afstemmen en ontwikkelen al doende een idee van wat het zou moeten en kunnen zijn.

Ook zijn de repetities nooit foutloos – dat is nu de aard van de repetitie. We moeten blijven repeteren in het hoopvolle streven naar perfectie, die wellicht nooit bereikt wordt. We repeteren omdat het moeilijk is, omdat het niet vanzelf gaat. Een mislukking is geen argument om te stoppen, maar juist een reden om het proces te herhalen en weer samen te komen. Want repeteren kan alleen als de orkestleden elkaar daadwerkelijk ontmoeten. Je zou ook kunnen zeggen dat een voetbalclub elke week repeteert om de beste voetbalclub te zijn. Slechte wedstrijden weerhouden de fans en de spelers er niet van er een week later weer te staan en hoop te houden. Dat bewijzen Feyenoorders als geen ander.

Ruimte om te ontmoeten
In het stadsbelevingsonderzoek waarmee de manifestatie is gestart kwam naar voren dat Rotterdammers belang hechten aan elkaar ontmoeten, en dat ze zorgen hebben dat het steeds minder gebeurt. Er kwam uit naar voren dat de stad voor iedereen toegankelijk moet blijven en dat de stad uitnodigt om de ander te ontmoeten, tegen het lijf te lopen, en te leren kennen. Dat is wat Rotterdammers van de stad verwachten en hopen. Wat ons te doen staat is ruimtes te creëren waar we elkaar ontmoeten en waar we het samenleven met elkaar kunnen repeteren, om van daaruit gezamenlijke vergezichten te schetsen.

Maar het blijft moeilijk, dat ontmoeten. Het gaat niet vanzelf en is soms ongrijpbaar, moeilijk vast te pakken of aan te wijzen waar het gebeurt. Naast de ruimte die cultuur en kunst scheppen, hebben we dan ook behoefte aan een fysieke ruimte. Daar blijven Rotterdammers toch nog altijd gevoelig voor. En die fysieke ruimte manifesteerde zich plots: De Trap. De Trap maakte van het Stationsplein – waar Rotterdammers zo trots op zijn dat ze het liever leeg houden – een ontmoetingsplek, een plek om te verblijven en stil te staan.

Al die verschillende Rotterdammers met hun eigen dromen en visioenen over de toekomst kwamen op De Trap. Kruiskadecruisers en bakfietsmoeders, rollatoren en selfiesticks, zwarte brilmonturen en djellaba’s, hoogbouwfanaten en vinexgezinnen. De Trap was een geslaagde publieke ruimte waar je de dwarsdoorsnede van de stad tegenkwam. Een plek waar je je tot de stad verhoudt, waar je kan uitkijken over de stad waar je trots op bent. Op de trap is er ruimte om even te dromen over hoe het verder kan met je stad en met je eigen leven. En je bent niet alleen, samen met anderen klim je omhoog, ga je vooruit en maak je vergezichten.

Op het eerste gezicht staat De Trap voor die typisch Rotterdamse naïeve recht-door-zee directheid. Het feit dat iemand op het plein staat en denkt ‘ik wil naar boven en daarom bouw ik vanaf hier een trap’ en dat dan ook doet. What you see is what you get ten voeten uit. Tegelijkertijd is De Trap totaal niet functioneel, efficiënt of noodzakelijk: er ís immers al een lift en een trap in het gebouw. En juist daarin schuilt de poëtische verbeeldingskracht van De Trap. Hij is poëtisch in zijn directheid. Hij staat voor het soms naïeve maar ook vrolijke en hoopvolle vermogen van Rotterdammers, ditmaal ongehinderd door noodzakelijkheid of zucht naar efficiëntie, om over de potenties van de stad na te denken en die te realiseren.

Tekst: Door Rineke Kraaij, Eeva Liukku, Maurice Specht